Max Arian interviewt Gisela Wieberdink-Söhnlein in de Voormalige Kweekschool in Amsterdam

Hoe ‘zo’n keurig meisje’ als Gisela Wieberdink-Söhnlein – rechtenstudente, lid van een dispuut, amper 21 lentes jong – in het verzet terecht kwam, wil Max Arian weten. ‘Nou,’ antwoordt Wieberdink-Söhnlein, ‘dat ging gewoon vanzelf.’

Wieberdink-Söhnlein, in de negentig inmiddels, draagt een rood jasje en een bril. Haar rechterhand ligt losjes om een kop thee. Arian interviewt haar in het pand van de voormalige Hervormde Kweekschool, op de Plantage Middenlaan 27. Hiernaast bevond zich vroeger een crèche; aan de overkant de Hollandse Schouwburg, vanaf 1942 de verzamelplaats voor deportatie van joden. Kinderen van de daar bijeengebrachte joden werden naar de crèche gestuurd; wie geluk had – en dat waren er honderden, uiteindelijk – werd weggesmokkeld naar een onderduikadres ver van de stad, in Friesland bijvoorbeeld, of in Limburg.

Dat smokkelen ging op allerlei manieren, vertelt Arian, en één route begon in elk geval bij de schutting tussen de achtertuin van de crèche en die van de kweekschool. Het is, zegt hij, misschien wel de meest primaire daad van verzet: als ouder je kind aan wildvreemden toevertrouwen, om ze zo te behoeden voor de verschrikkingen van het kamp.

Eén van die ‘wildvreemden’ was Wieberdink-Söhnlein. Als contactpersoon tussen het Amsterdamse en het Utrechtse kindercomité haalde zij tussen september 1942 en juni 1943 door de hele stad joodse kinderen op, om ze vervolgens, bijvoorbeeld per trein, in veiligheid te brengen. Zelf heeft ze nooit kinderen bij de crèche opgehaald: ze kwam meestal bij mensen thuis, en dit is de eerste keer dat ze in de Kweekschool is. Toch: het pand waar we nu zitten en de vrouw waarvoor we zijn gekomen zijn onderdeel van hetzelfde verhaal, hetzelfde netwerk, dezelfde daad van verzet.

In 1942 woonde Wieberdink-Söhnlein in een dispuutshuis in de Rubensstraat, tegenover een Gestapo-kantoor. ’s-Nachts hielden de blaffende honden haar uit haar slaap. Toen een huisgenootje haar op een dag vroeg of ze joodse kinderen wilde wegbrengen, zei ze ‘ja’ – en zo begon het. Je zou het inderdaad ‘vanzelf’ kunnen noemen, maar vanzelfsprekend is het allerminst.

Wieberdink-Söhnlein had als voordeel dat haar stiefvader bij de spoorwegen werkte, waardoor ze gratis kon reizen – een ander voordeel, zo denk je wanneer je de luchtige en kordate toon hoort waarop ze erover vertelt, was dat ze niet bepaald bang was aangelegd. Wat er met de kinderen gebeurde nadat ze hen had afgezet, ‘dat wist ik niet,’ zegt Wieberdink-Söhnlein. Veel tijd om er bij stil te staan was er ook niet, want de dag erna ‘moest ik de volgende alweer halen.’

Er was wel meer dat ze niet wist: hoe groot het netwerk was waartoe ze behoorde bijvoorbeeld, of de namen van andere verzetsleden. Ze weet niet eens meer precies hoeveel kinderen ze heeft geholpen, al moet het zeker ‘in de tientallen’ zijn gelopen. Dat was eigenlijk maar goed ook, benadrukt Arian: hoe minder je als verzetsstrijder wist hoe beter, dan kon je ook geen anderen in gevaar brengen. (Eenzelfde logica maakte dat de meeste joodse ouders geen flauw idee hadden waar hun kinderen terecht waren gekomen – het is volkomen begrijpelijk en het breekt je hart.)

Toen Wieberdink-Söhnlein in juni 1943 werd gearresteerd – een Amsterdams echtpaar dat een schakel in het netwerk vormde had de boel verraden, ternauwernood had Söhnlein de aldaar ondergedoken kinderen in veiligheid kunnen brengen – was er wel de druk om namen of locaties te noemen, maar ze heeft nooit iets prijsgegeven. Dat het haar aan een volledig overzicht ontbrak zal hebben geholpen – al speelde ze ook, zoals ze het zelf zegt, zeer overtuigend ‘het domme blondje, dat het allemaal niet zo goed had begrepen.’ Op een half jaar levens redden volgden twee jaar gevangenisstraf, die ze onder meer uitzat in Ravensbrück; ze vertelt erover met dezelfde montere opgeruimdheid als over haar verzetswerk.
Als een avontuur.
Als iets dat ‘nu eenmaal zo was.’
Als iets dat ze als ‘vanzelf’, en zonder al te erge kleerscheuren, wist te doorstaan.

‘Ik vond het fijn’, zegt ze, over het half jaar dat haar leven in het teken stond van verzet. Of ze, wanneer ze met de trein reisde, ‘een verhaal klaar had’ voor het geval ze ondervraagd zou worden, wil iemand in het publiek weten. Nee zegt ze, ‘dat kwam niet in me op.’ Of ze in de rats zat tijdens de reizen? ‘Volgens mij maakte ik me er niet zo druk om. Het moest gewoon gebeuren.’

Je hoopt dat het nooit zo ver meer zal komen, maar mocht het toch, dan hoop je – dan hoop ik – altijd maar dat ik dapper genoeg zal zijn om aan de ‘goede’ kant te staan, moedig genoeg voor het verzet. Wie naar Wieberdink-Söhnlein luistert krijgt de indruk dat het helemaal geen kwestie is van dapperheid, van moed; dat verzet iets natuurlijks is, iets dat, inderdaad, ‘vanzelf’ komt.

Het is niet eens bescheidenheid, geloof ik: ze lijkt het echt te menen. En misschien móét je ook wel zo in staan, om zoiets vol te kunnen houden. Toch: wat mij betreft maakt het van dat keurige meisje van weleer, een zo mogelijk nog grotere held.