Breestraat 161 (Boekhandel De Kler)

4 mei 2018

11.00 en 13.00 uur

In dit pand bevond zich de meubelwinkel met woonhuis van Ernst en Jenny Loeb-Rose. Ernst Loeb was jarenlang voorzitter van de Joodse Gemeente in Leiden. Ernst, Jenny en twee van hun vijf kinderen kwamen om in diverse kampen. Kleindochter Jeanette Loeb vertelt over hun leven.

Tekst Jeanette Loeb:

In dit huis Breestraat 161 heeft mijn vader met zus, broers en ouders gewoond. Beneden was deze grote winkel met daarachter de werkplaats.  Een bekende slagzin van de winkel was “ Spreek met Loeb en het komt in orde”.  Toen ik me ooit voorstelde aan Jan Wolkers was dat zijn eerste reactie. 

Boven woonden ze. Het was een groot gezin, 4 zonen en een dochter. Mijn vader was de jongste, een nakomertje, geboren in 1919.  Op het dak van de werkplaats hadden ze op de 1e verdieping een groot dakterras waar als het weer het toeliet de familie buiten kon zitten. Achter de werkplaats was een grote ren met kippen. De familie had zo iedere dag verse eitjes. Mijn grootvader had speciale kippen waarmee hij op tentoonstellingen prijzen won. Ik vind het een leuk idee; ik had een grootvader kunnen hebben die meubelmaker was met als hobby het fokken van  kippen van een bijzonder ras. 

In de zomer van  1942 is mijn grootvader gearresteerd wegens het bezit van wapens. Een van de kantoormedewerkers, die een NSB sympathisant bleek te zijn, had mijn grootvader aangegeven vanwege een brievenopener. Mijn grootvader had op een antiek markt een oud dolkje gekocht en gebruikte dat om enveloppen mee open te snijden.  Omdat het bot was heeft hij het geslepen, het was nu echter zo scherp dat hij het diep in zijn bureaula had gestopt uit angst dat een van de kinderen het zou vinden en zich ermee zou verwonden.  Hij heeft het dolkje daarna niet meer gebruikt om brieven mee te openen. 

Mijn grootouders en hun zonen Hans en Herbert hebben de oorlog niet overleefd, vermoord in de concentratiekampen Auschwitz, Theresiënstadt, Bergen Belsen en “onbekend”.  Mijn vader, zus Grete en broer Hans met zijn gezin hebben de kampen overleefd. Grete is in een uitwisseling van Joden tegen vrachtauto’s voor het leger van Hitler via het Rode Kruis in Zwitserland geïnterneerd geweest tot het einde van de oorlog. Zodra ze voet op Nederlandse bodem had gezet kreeg ze een forse rekening uit Den Haag of ze even haar verblijfskosten wilde betalen. 

Een van de verschijnselen van een gezin van oorlogsslachtoffers, waar ik uit kom, is dat er een enorm groot taboe was om vragen te stellen.

Toen ik eindelijk zover was dat ik vragen ging stellen was er bijna niemand meer die mij de antwoorden kon geven. Ik had geen flauwe benul uit wat voor familie mijn vader die jong was overleden, kwam. Alleen mijn vaders zus, mijn tante Grete , toen al een eerbiedwaardige dame van in de 80, kon mijn vragen beantwoorden.  Foto’s en voorwerpen waren er niet meer.  Met haar antwoorden en wat ik in archieven heb kunnen vinden heb ik nu een idee hoe het leven er uit heeft gezien bij mijn grootouders  hier op de Breestraat 161. Een vrolijk en gastvrij gezin. Met de zaak ging het lange tijd goed. Mijn grootvader adverteerde bijna wekelijks in de Leidse kranten en voorzag het studentencorps van meubels voor de toneelstukken die ze opvoerden. Hij is 25 jaar lang voorzitter geweest van de Joodse gemeente en daardoor ook betrokken geweest bij het Joods weeshuis. Kortom een gezin dat midden in de samenleving stond. 

Dit staat in schril contrast met het gezin waarin ik ben opgegroeid,  afgesloten  van de buitenwereld en door de regelmatige verhuizingen nooit wortel geschoten. Er was een heel afstandelijk contact met mijn tante Grete. De enige broer van mijn vader die de oorlog had overleefd was al begin 50-er jaren naar Canada geëmigreerd en daar werd geen contact mee onderhouden.

Het vormen van dit beeld van het gezin van mijn vader; mijn grootouders, broers en zus heb ik nodig om mijzelf wortels te geven, een fundament van waaruit ik uiteindelijk mijn eigen leven heb kunnen vorm geven.

 

Alle rechten voorbehouden